Sisterhood

Ze heeft zo haar eigen ideeën over het dorp waar ze ooit opgroeide en het liefst zou ze er nooit meer komen. Maar als haar zwager zijn boekje te buiten gaat …

Een vreemd geluidje op de grote tafel trekt haar aandacht. Ach ja natuurlijk, de nieuwe ringtone. Annemarie spurt erheen en draait in het voorbijgaan de geluidsinstallatie wat zachter. Nieuwsgierig kijkt ze naar het display, fronst afkeurend en drukt resoluut de oproep weg. Van alle mensen die ze aan de telefoon wil hebben, is Elize wel de laatste. Ze lijkt in niets op haar zusje, ze leven in totaal verschillende werelden. Elize vindt Annemarie een militante feministe die ondanks haar academische titel nog niets heeft opgebouwd. Op haar beurt vindt Annemarie haar zus een burgertrut, een middelmaatje, dat zelfs dát niveau niet heeft weten te gebruiken om verder te komen dan het bekrompen dorp, waar ze opgroeiden. In plaats daarvan trouwde Elize met een rijke boerenzoon die kerkmeester en wethouder is, kreeg ze twee kinderen en is ze onder andere bestuurslid van de plaatselijke KVO, de Katholieke Vrouwen Organisatie die niets, maar dan ook niets met vrouwenrechten te maken heeft.
Annemarie weet dat ze terug moet bellen, want de 40-jarige bruiloft van hun ouders komt in zicht en wat is er nou mooier dan dat beide kinderen die samen organiseren?

Twee dagen later zit ze daarom in de luxe ingerichte woonkeuken van haar zus, en drinkt ze thee uit het sjieke wedgwood servies. Kruidenthee, daar doet Elize niet aan, maar ze heeft wel een verse cake gebakken, een bewijs dat ze de relatie met haar zus positief blijft benaderen. Dat raakt Annemarie. Haar voornemen om rustig en positief te blijven sneuvelt echter onmiddellijk als ze vertelt over de Oost-Europese vrouwen, die ze gisteren heeft opgevangen nadat ze bevrijd waren uit de klauwen van een  vrouwenhandelaar. Volgens Elize valt het namelijk wel mee met de psychische gevolgen voor de vrouwen.
“Jezus Lies, denk nou toch eens na! Wie heeft jou verteld dat een vrouw daar niets aan overhoudt?” Als Annemarie boos is op haar zus, noemt ze haar expres Lies, omdat ze weet dat ze zo gesteld is op het sjieke Elize. Hoofdschuddend kijkt ze uit het raam, zich verwonderend over zoveel naïviteit.
“Nou ja, het hoeft toch niet altijd slecht af te lopen? Niet iedereen die iets heftigs meemaakt eindigt op de bank bij de psychiater. Er bestaat ook nog zoiets als flink zijn.”
Elize voelt dat ze weinig overtuigend klinkt en dat is te merken aan de reactie van haar zus:
“Ja, hier in dit rot dorp zijn ze misschien flink, omdat ze als de dood zijn om af te wijken, maar reken maar dat er schade wordt aangericht en niet zo’n heel klein beetje ook, zus! Kom uit je cocon, voordat het leven je eruit ramt!”

Die superieure houding van haar zus, bevalt Elize niet, ze weet heus wel dat Annemarie haar de baas is wat ontwikkeling en opleiding betreft, maar verdorie, ze heeft toch ook wel iets bereikt in het leven dacht ze zo.
“Laat het dorp er nou eens buiten!” schiet ze uit haar slof, “we weten allemaal dat jij hier nog niet dood gevonden zou willen worden, maar IK heb het hier naar mijn zin!” Ze ziet haar zus adem halen om te reageren en gaat vlug verder: “Het is helemaal niet mijn bedoeling om de dingen kleiner te maken dan ze zijn maar het helpt niet als iedereen je pampert. Daarmee geef je je trauma echt geen plek, daar zijn weer andere dingen voor nodig.”
“Alsof jij iets van trauma’s weet”, sneert Annemarie. Ze is ervan overtuigd dat haar zus een mislukte appeltaart al als een trauma ervaart.
“Helaas Annemarie, daar weet ik inderdaad iets van”, klinkt het cynisch. “Natuurlijk krijg jij daar niks van mee, je hebt belangrijkere dingen aan je hoofd daar in de grote stad, maar neem van mij aan dat ik daar iets van weet.”
Elize is opgestaan en strijkt een lok haar uit haar gezicht. Leunend tegen het kookeiland vecht ze uit alle macht tegen haar tranen, maar de golf van verdriet die haar overspoelt is overweldigend. Alle schaamte, pijn en frustratie van de laatste weken golft naar buiten in lange gierende uithalen. Annemarie schrikt, zo kent ze haar zus niet.
“Het is allemaal weg Annemarie, alles wat ik opgebouwd heb, weg! Niets meer van over. Ik ben niets meer!”
Annemarie vergeet op slag haar irritaties. “Jeetje Elize, wat is er zo erg, wat is er gebeurd dan?”

Van de hak op de tak springend en half boos, half huilend, vertelt Elize haar verhaal. Voor Annemarie is het geenszins onsamenhangend. Ze kent haar zus dan wel niet meer zo goed als vroeger, de dynamiek is hetzelfde gebleven. Al snel destilleert ze dat haar zwager gezwicht is voor de verleidingen van de corruptie. Steekpenningen aangenomen, meegenomen naar een bordeel door de lokale aannemer en tot overmaat van ramp is hij thuisgekomen met een geslachtsziekte, die zijn nietsvermoedende echtgenote sinds kort ontdekt heeft. Na maandenlang onderzoek werden haar vage klachten door een oplettende coassistent in verband gebracht met een mogelijke soa.
“Is hij nou helemaal belazerd? Wie denkt hij eigenlijk wel dat hij is?” Annemarie beent door de keuken met vuurspuwende ogen. Ze ziet hem voor zich, meneer de wethouder, die zich in ruil voor gunsten laat fêteren door de corrupte grote jongens in de bouwwereld en ondertussen haar zus doodongelukkig maakt.
“Wat bezielt die man?” Ze vraagt het meer aan zichzelf dan aan haar zus. Elize schokschoudert en kijkt naar Annemarie met een wanhopige blik. Annemarie realiseert zich dat haar zus geen grip op de situatie heeft. Ze zit klem in haar reputatie, in het kleine wereldje dat ook haar straks zal afrekenen op het wangedrag van haar echtgenoot, als de zaak in de openbaarheid zou komen. Het snijdt haar door de ziel dat Elizes wereld zo klein is. Ze zou haar het liefst willen meenemen naar Amsterdam, nu. Niet zozeer om haar wereld groter te maken, maar om haar te beschermen. Ze realiseert zich ineens dat haar zus de enige 100% bloedverwant is die ze heeft en dat ze nooit de moeite heeft genomen om haar beter te leren kennen. De gevoelens van spijt daarover en de boosheid op haar zwager vermengen zich:
“Gooi ‘m eruit”, zegt ze daarom, “is hij nou helemaal besodemieterd!”
Elize snikt het uit: “En de meisjes dan? En dit hier allemaal. Ik kan toch niet zomaar alles opgeven waar ik mijn leven lang voor gewerkt heb?”
“Nee, maar hij kan dat kennelijk wel”, briest Annemarie. “Hij zet niet alleen zijn huwelijk en zijn carrière op het spel maar hij speelt ook nog eens met jouw gezondheid. Als die geslachtsziekte niet was ontdekt, had je eraan dood kunnen gaan, weet je dat? En dat is wat ik hem nog het meest kwalijk neem, want hij komt verdomme wel aan mijn zus!”
De hufter, denkt ze erachteraan. Ze herinnert zich ineens weer die kermiszondag in het dorp, zo’n vijftien jaar geleden. Harm die haar het hof maakt, terwijl hij al verkering met haar zus heeft. Zijn laatste poging om haar tot de zijne te maken met de woorden: “Als ik jou kan krijgen, geef ik Elize vandaag nog op.” Hufter, denkt ze nogmaals, ik hang hem op aan de hoogste boom, dat had ik vijftien jaar geleden al moeten doen. Ze heeft het voorval nooit aan haar zus verteld en dat zal ze ook nu niet doen, maar stilletjes neemt ze zich voor om Harm aan zijn haren bij de les te slepen. Hoe verschillend ze ook zijn, als het erop aan komt, zal ze altijd de kant van haar zus kiezen.
“Nouja”, besluit ze daarom, “misschien heb je ook wel gelijk. Overal is weleens wat.” Ze zwijgt even. “Maar vergeef het hem niet te gemakkelijk Elize, laat hem maar eens flink schrikken.”

Thuis organiseert Annemarie de volgende dag een etentje met haar intiemste vrienden: Hartsvriend Perry, die net als zij opgroeide in het dorp maar al jong naar de grote stad kwam, en vriendin Irmgard met echtgenote Nicoleta.  Als ze aan de koffie zitten, lucht ze haar hart over haar overspelige zwager. Perry kent hem maar al te goed. Het is de plaaggeest uit zijn jeugd. Het schelden en de aframmelingen na schooltijd herinnert hij zich maar al te goed, en Harm van de Kerkhof was doorgaans de aanstichter. Van Annemarie weet hij dat Harm er nog altijd woont en geen steek veranderd is. Domheid en dominantie gaan hand in hand bij deze man en zijn lompheid kreeg gezelschap van een misplaatst soort arrogantie, sinds hij aantrad als wethouder.
Irmgard vindt net als Annemarie dat je zo’n Miststück niet hard genoeg kunt straffen. Als er plannen gesmeed worden neemt Nicoleta de leiding. Zowel zij  als Perry hebben een breed netwerk dat zich uitstrekt tot de wereld van de betaalde liefde.
“That? You can leave to us,” zegt ze met haar charmante Roemeense accent.
“You bet!” zegt Perry, “Harm gaat een toontje lager zingen.” Hij heeft er zin in.

Twee weken later zit Annemarie in de bezoekersstoel voor het protserige eikenhouten bureau van haar zwager. Het is niemand ontgaan dat wethouder Van de Kerkhof zijn schoonzus op bezoek heeft, vooral de nieuwsgierige koffiedame niet. Terwijl hij in zijn hoofd nog bezig is te bedenken hoe hij dat straks zal ‘verantwoorden’, legt Annemarie rustig een foto naast zijn koffiekopje. Het is de eerste van een serie die gemaakt werd in een Amsterdamse privéclub. Als een baltsende albatros staat hij daar, met wijd gespreide armen en intens genietend van de dans met de schaars geklede dame tegenover zich, juist voordat hij in de gaten krijgt dat zijn broek op zijn schoenen ligt. De vier andere foto’s laten een geschrokken Harm zien die vruchteloos probeert te redden wat er te redden valt. Hij vloekt hartgrondig.
“Rustig maar Harm, dit blijft tussen jou en mij. De burgemeester en het kerkbestuur hoeven dit niet per se te weten. Ik kom je alleen vragen of je wat beter voor mijn zus wilt zorgen. Je hebt haar diep gekwetst en dat kan ik niet toestaan.”
Als hij wil reageren heft ze rustig haar hand op en gaat verder: “Ik hoef je slappe excuses niet, ik spreek alleen met je af dat Elize met de kerstdagen haar levenslust weer terug heeft. En mocht dat niet lukken: je weet dat mijn inkomen groter is dan het jouwe, dus een gezin onderhouden is geen enkel probleem. Elize en de meisjes zouden best kunnen wennen in Amsterdam.”
Voor het eerst in zijn leven voelt Harm dat hij terrein verliest. Nog voordat hij goed en wel weet wat hij wil gaan zeggen, gaat Annemarie verder: “Ik wil die twinkeling terugzien in haar ogen, mijn beste zwager, én die tevreden blik die bij haar status hoort. Als je daarin slaagt, zijn de digitale originelen van deze foto’s voor jou, tot die tijd worden ze goed voor je bewaard in de kluis van een echtscheidingsadvocaat.”
Harm weet dat hij geen kant op kan, maar maskeert zijn angst met het laatste restje arrogantie: “Stomme pot, wat ben ik gggggodverdomme blij dat ik met je zus getrouwd ben …..”

Terwijl ze opstaat valt ze hem in de rede: “Zo ken ik je weer! En laat dat nou ook nog eens aan háár merken. Dag Harm.”

 

 

Een gedachte over “Sisterhood

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s